Opvoeding en integratie

Reeks: Jeugdonderzoek, 3.

Dit boek gaat over een onderwerp dat regelmatig stof doet opwaaien: opvoeding en integratie. Centraal staan de resultaten van recente onderzoeken naar de opvoeding in autochtoon-Nederlandse, Turkse, Marokkaanse, Creools-Surinaamse en Chinese gezinnen en naar de pedagogische afstemming tussen gezin en school. De bevindingen uit deze onderzoeken worden vergeleken en geanalyseerd op hun betekenis voor sociale integratie.

Eén van de belangrijkste conclusies is dat integratie niet stopt bij de voordeur. Zowel in hun opvoedingsdoelen als dagelijks handelen laten (allochtone) ouders veranderingen zien. Aan de autonomie van kinderen hechten zij meer waarde dan de generaties voor hen en conformiteit vullen zij op een minder autoritaire wijze in. Van louter aanpassing is echter geen sprake: er ontstaan eigen mengvormen. Even opmerkelijk is de constatering dat er ook niet één richtinggevend Nederlands opvoedingsmodel is.

Een andere belangrijke bevinding is dat de verhouding tussen de generaties in allochtone gezinnen minder dramatisch is dan algemeen wordt verondersteld.
Opvoeders, allochtoon én autochtoon, evenals leerkrachten hebben een belangrijk opvoedingsprobleem gemeen: hoe kinderen meer autonomie te geven zonder dat dit doorslaat naar een gebrek aan sociale betrokkenheid. De communicatie en afstemming over deze en andere pedagogische kwesties verloopt echter niet naar tevredenheid. Hetzelfde geldt voor de communicatie tussen ouders en andere opvoedingsprofessionals, bijvoorbeeld in de opvoedingsondersteuning en hulpverlening. Van een hecht pedagogisch netwerk is bepaald geen sprake. Eén van de belangrijkste aanbevelingen is dan ook dat daar vanuit het beleid meer mogelijkheden voor worden geschapen.